Het onbekende
Niet helemaal wetend wat te denken van India, heb ik de uitnodiging aanvaard om in de semi-woestijn Shekhawati van de provincie Rajasthan in India een paardrijdsafari te beleven. Mijn brein dat slechts flarden van foto’s van Indiase mensen badend in de rivier de Ganges tevoorschijn kan toveren, probeert mij te waarschuwen voor het oplopen van enge ziekten en te behoeden voor oneindige aantallen bedelaars. Maar zoals met de meeste waarschuwingen komend van onwetenden het geval is, stoelt het gepresenteerde op z’n best op halve waarheden en is dit het beste genegeerd en zelf proefondervindelijk onderzocht. Mijn onrust en onzekerheid sijpelen nog steeds door wanneer ik mijn vliegticket binnen heb. Ik zal alleen reizen en naar Delhi vliegen. Daar zullen massa’s mensen mij voor of zelfs onder de voet lopen, ik zal ze niet verstaan, ze zullen aan me trekken en als ik dan tenslotte in de drukte weet te vluchten stap ik natuurlijk in een verkeerde en duistere taxi die me naar een ongure sloppenwijk rijdt. Hoezo bedenk ik dit allemaal en waar is mijn persoon die haar hele leven al de wereld niet alleen rondgereisd is, maar ook onbevreesd en nieuwsgierig overal op af is gestapt? Hoe dan ook, ik maak er een punt van dat mijn bevriende journaliste en fotografe mij op de luchthaven van Delhi zal opwachten. Zij is al heel vaak in India geweest, kent het land goed en is mij bovendien vooruit gereisd. Wanneer ze belt en ik van haar begrijp dat zij gepland heeft mij in Jaipur te ontmoeten en niet in Delhi, ben ik pas gerust nadat ze haar binnenlandse vlucht heeft omgeboekt en bovendien de avond ervoor in een luchthavenhotel overnacht, zodat ze de volgende ochtend, wanneer ik op Delhi Indira Ghandi International Airport land, als menselijk vangnet daar zal zijn.
Eerste indrukken
Ik blijf het een wonder vinden hoe mensen, klein als wij zijn, elkaar op een heel andere plek in de wereld kunnen treffen, maar ook nu is het tot mijn opluchting gelukt. Mijn vriendin heeft onze bestelde Indiase taxichauffeur ook al gevonden en daar gaan we, direct de snelweg op. Ik zit achterin de auto te luisteren naar haar recente belevenissen wanneer het enigszins gedesoriënteerd tot me doordringt dat wij links en rechts, nog net niet boven en onder, worden ingehaald door auto’s. Het verkeersmechanisme blijkt hier heel anders te werken dan bij ons. Daar waar wij toeteren als iemand in de weg rijdt, wordt de hoorn hier gebruikt om andere weggebruikers te laten weten dat je eraan komt, ongeacht waar vandaan. Ik probeer me voor te stellen hoe een autorijdinstructeur hier les geeft: “ja, je geeft nu gas en nu wil jij ook de rijbaan, dus nu moet je toeteren”, zoiets. Ik geef me eraan over, ik zit toch al in de auto en heb geen enkele invloed op de taxichauffeur en al helemaal niet op al die andere vehikels. Nu ik dat heb losgelaten zie ik pas dat de snelweg hier en daar geruisloos overgaat in de wegen ernaast en dat er bovendien koeien liggen en loslopen. Kilometers lang zie ik onafgebouwde winkeltjes, huizen en tempels. Alsof India het impressionisme pur sang heeft gemonopoliseerd.
Een pitstop bij een wegrestaurantje is mijn eerste echte kennismaking met India. We strijken neer aan een formica tafeltje en mijn beide reisgenoten bestellen feilloos een paar gerechten waar ik nog nooit van gehoord heb, maar die verrukkelijk smaken. Ook koffie behoort tot de mogelijkheden, iets waar je mij als echte addict geen groter plezier mee kunt doen. Al bij de volgende pauze onderweg kan ik mij totaal niets meer herinneren van mijn eerdere angstvisioenen en constateer ik dat ik mij, zittend in de tuin, genietend van een Masala thee, nu al helemaal thuis en op mijn gemak voel in dit onaangeharkte land.
Onze autorit duurt bijna vijf uur, waarbij het landschap steeds mooier wordt, met behalve mooie zandvlakten tevens velden vol groene gewassen, gelardeerd met boerderijen met ommuurde tuinen, die niet zouden misstaan in het achterland van Andalusië. Hier en daar steken de unieke en grillige Khejri-bomen er bovenuit, waardoor ik er toch telkens aan herinnerd word dat ik toch echt in een ander werelddeel ben beland. In de dorpjes waar we om de haverklap doorheen rijden heerst onmiskenbaar een bedrijvigheid die echter op z’n elfendertigste wordt uitgevoerd, een contradictio in terminus, maar misschien typeert dit India ook wel. Zelf schakel ik ook maar terug van de vijfde naar de vierde versnelling.
Castle Mandawa
Dan ineens rijden we een poort door, een grote zanderige binnenplaats op, die ik herken van foto’s, Mandawa Castle. Het heet een kasteel te zijn, maar is met de torenhoge beschermmuren rondom beslist een fort en qua grootte en luxe past de benaming paleis meer. Ik vermoed dat de keuze voor de titel kasteel te maken heeft met de bescheidenheid van mijn beide gastheren, Anirudh en Angad Deo Mandawa, beiden rechtstreekse afstammelingen van de Rajputs, ofwel de Koninklijke Maharadja’s van Rajasthan, die hier vroeger heersten. Castle Mandawa is in 1755 gebouwd door de Rajput-heerser Mandawa Thakur Nawal Singh ter bescherming van de handelspost gelegen aan de caravaanroute tussen China en het Midden-Oosten. Het is generaties lang doorgegeven en wordt nog immer door deze dynastiefamilie bewoond. In mijn allereerste contacten met deze eigenaren van de eenentwintigste eeuw moet ik bekennen dat ik aanvankelijk sceptisch was en niet geheel overtuigd of Castle Mandawa daadwerkelijk hun bezit was. Daar waar ik vermoedde dat ze zich voordeden als eigenaren en om verkeerde redenen maar mondjesmaat over de accommodatie spraken, bleek hun summiere communicatie hierover gefundeerd op een noblesse die anno 2018 zeer zeldzaam is geworden. Gedurende ons verblijf zal deze edele statuur nog op vele momenten weldadig en gastvrij op ons neerdalen.
Oude tijden
Ons wordt direct een privégids, toegewezen die de haveli’s in Mandawa aan ons zal laten zien. Haveli’s zijn door de handelaren gedecoreerde huizen met binnenplaatsen. Het woord Haveli stamt uit het Arabisch en betekent afgesloten plek. De huizen hebben doorgaans een privégedeelte en een bezoekersverblijf, dat door de vrouwen vanuit de bovenverdieping vanachter rasters gadegeslagen kon worden. Met de fresco’s toonden de eigenaren hun rijkdom. Ook vertellen de fresco’s verhalen over de jaren heen. Saillant detail daarbij is dat ten tijde van de British Empire zelfs fresco’s opduiken met jachttaferelen zoals die in Engeland te zien zijn. Maar ook zien wij afbeeldingen van de zgn. sati, een praktijk waarbij een weduwe samen met het lichaam van haar echtgenoot al dan niet vrijwillig levend werd verbrand. De betekenis van dit woord is "deugdzame vrouw". Een deugdzame vrouw behoorde het niet te begeren om haar echtgenoot te overleven. Gelukkig zijn de tijden veranderd en heel geëmancipeerd schenkt onze gids Bhanu ons een Masala-thee in zijn winkeltje pal naast het paleis, waar hij een prachtige collectie pashmina’s heeft die wij niet kunnen weerstaan.
State-of-the-Art stallencomplex
Later in de middag is eindelijk het moment aangebroken om naar de stallen te gaan. We stappen in een stoere jeep waarmee onze gastheer Anirudh ons in nog geen twee minuten naar het stallencomplex rijdt, dat min of meer om de hoek ligt. Het eerste dat opvalt is dat de paarden alle ruimte hebben. Binnen het groots opgezette terrein staat een aantal paarden in kleine groepen bij elkaar in ronde paddocks, die bovendien schaduw bieden onder de bomen en de beschutting. Enkele paarden zijn al in hun mooie witte boxen gestald. Het zijn nieuw gebouwde zeer ruime en schone boxen waarbij de paarden zowel naar buiten als naar elkaar in de kudde kunnen kijken. Op het tijdstip dat wij er zijn, krijgen ze net hun hooi, een prachtige droge mix die ik met plezier aan de paarden thuis zou voeren. De merries met veulens beschikken over de extra grote boxen waar ze ongestoord de nacht kunnen doorbrengen. Los daarvan waakt, naast een heel team van allround grooms, ruiters en een Franse trainster, een gepensioneerde senior staff member, Prithvi Singh, over de paarden van de Mandawa Stud Farm. Hij is al de 9e generatie die voor de Mandawa Marwari-paarden zorgt. Ons wordt verteld dat hij niet buiten de paarden kan en gedurende de week zien we hem dan ook overal verschijnen waar de paarden zijn, ongeacht het tijdstip of de plek.
De Marwari
Rajasthan kent feitelijk drie oorspronkelijke paardenrassen, te weten de Marwari, de Kathiawadi en de Sindhi. Niet verrassend komen de Marwari-paarden uit de Marwar-regio, voorheen de staat Jodhpur. De Kathiawadi komt van de naburige staat Gujrat. De Sindhi-paarden horen bij de provincie Sindh, dat tegenwoordig bij Pakistan hoort. De Marwari-paarden werden aanvankelijk voornamelijk ingezet als oorlogspaarden of als vervoermiddel op de lange afstanden. Het is het enige ras ter wereld dat gekrulde oren heeft die naar binnen staan. Qua afstamming staan ze nog het dichtstbij het Arabische paardenras. Ze zijn zeer intelligent en reageren snel. Daarnaast zijn ze energiek en temperamentvol, maar bovenal loyale partners, zoals blijkt uit oude verhalen uit de stad Udaipur, waarin deze edele paarden ondanks eigen verwondingen hun meesters in veiligheid wisten te brengen.
Holi
De sociale positie van de Mandawa-broers brengt ook verantwoordelijkheden en verplichtingen met zich mee, daarvan zijn we deze week van dichtbij getuige, wanneer het Holi-feest wordt gevierd. De anders zo Westers en casual geklede Angad Deo treffen we vanavond in traditionele kledij aan. Hij draagt een zwarte jodpherbroek, een zwarte Sherwani (colbert) met pochet, een wit/rode tulband met lange draperie aan de achterzijde en last but noot least schuin over de borst gedragen een lederen band waaraan een schacht met zwaard is bevestigd. Hij ziet er voornaam, indrukwekkend en mannelijk uit en straalt een zelfverzekerde rust uit die je van een Rajput mag verwachten. In spanning wachten wij af. Het Holi-feest is een Hindoeïstisch feest dat jaarlijks rond de maand maart gevierd wordt en een combinatie is van het vieren van de lente, een feest van de overwinning van het goede op het kwade en een Nieuwjaarsfeest. Het begint vanavond tijdens de volle maan met een verbrandingsceremonie, de Holkadahan. Onze host Angad Deo Mandawa wordt door de Pandit (ceremoniemeester) en zijn gevolg naar buiten de kasteelpoort begeleid. Daar wachten de dorpelingen rondom de Holka, een stapel van takken en gedroogde koeienmestringen. Met het bestrooien van een offerrande van kruiden en het bezingen van Holi-liederen worden de kwade gedachten en gewoonten symbolisch verbrand. De dorpsbewoners hebben zelf takken meegenomen die ze met het vuur van de brandstapel aansteken en mee naar huis nemen. Het ritueel is hiermee feitelijk afgesloten, maar wel vernemen wij dat er de hele avond in het dorp nog zal worden gedanst. Wanneer wij besluiten een kijkje te nemen, ontdekken we dat het uitsluitend de mannen zijn. Enkelen zijn als vrouwen verkleed in sari’s en dansen sensueel ter vermaak van de anderen. Naar blijkt is de achterliggende reden dat vrouwen niet voor mannen anders dan hun eigen echtgenoot mogen dansen. Desondanks mogen wij twee vrouwen dit aanschouwen en foto’s maken, al slaan we de uitnodiging om mee te dansen vriendelijk doch resoluut af.
De volgende Holi-dag begint nadat de as van de Holka is afgekoeld en de Pandit heilwens (Holi-wens) voor geluk en welzijn heeft uitgesproken. De aanwezigen krijgen daarbij een eerste stip op het voorhoofd met het heilige as van de Holka. Daarna begint het gedeelte van het Holi-feest dat het meest in het oog springt, het elkaar besprenkelen met allerlei kleuren poeder. Dit symboliseert de in bloei staande natuur en men wenst elkaar geluk. Onze hosts hebben speciaal voor alle gasten die voor de paarden gekomen zijn, een intiem Holi-feestje georganiseerd op het stallencomplex. Bij aankomst is iedereen helemaal in het wit gekleed en de paarden staan keurig gepoetst. Het duurt echter niet lang voordat een explosie aan groene, gele, rode, blauwe en paarse poeders het gezelschap omtovert tot wat nog het meest lijkt op een uit de hand gelopen paintballgame.
Later in de middag zal het paleis het toneel zijn van het Holi-feest van het stadje Mandawa. Duizenden dorpsbewoners verzamelen zich op de binnenplaats en drommen voor de trap naar het terras, waar onze hosts achter een tafel staan. Een voor een deppen ze hun hand in de schaal met rode poeder om de kasteelheren in te smeren. Behalve dat dat door de aantallen alleen al een enorme hoeveelheid poeder is wat ze over zich heen krijgen, gaat het er niet altijd even zachtzinnig aan toe, fluistert Anirudh ons tijdens de lunch in. Velen zijn hem goed gezind, maar wie zijn frustraties kwijt wil, misbruikt deze traditie om hem dat letterlijk en figuurlijk in te poeieren.
Het land in
Het Holi-feest is voorbij en ik verheug me eindelijk te kunnen gaan rijden. Mij wordt een prachtige schimmelmerrie toegewezen met de naam Mangal, wat eigenlijk Mars betekent en in de Hindu-leer staat voor een negatieve invloed op het huwelijk. Nu ben ik een doorgewinterde single, dus wat dat betreft is de match goed. Drie man sterk aan assistentie en een opstapbankje verder zit ik in het comfortabele zadel met bontje. Ik voel direct dat er veel leven in haar zit en laat daarom de teugels vieren en ontspan mijn zit zodat ook Mangal weet dat dit een plezierige rit gaat worden. Ze staat erom bekend dat ze naar andere paarden slaat, sinds kort niet alleen naar achteren, maar ook zijwaarts. Reden genoeg om Mangal en mij als hekkensluiter op te stellen in de groep. Het uitzicht op een rij paarden en ruiters voor mij dat ik gedurende de rit heb is mij alleszins vertrouwd van andere bestemmingen in de wereld en geeft mij alle gelegenheid om rustig om mij heen te kijken. Het eerste wat mij opvalt is het zachte en schone zand waardoorheen we stappen en een onafgebouwde tempel waar zo te zien niets mee gebeurt, maar exotisch oogt. Een heuveltje van niets brengt ons in een soort duinpan, zoals ik die zo goed ken van de Kennemerduinen, maar dan zonder de naaldbomen. Iets verderop leiden de zandpaden, zeg maar gerust brede ruiterpaden, ons langs landhuizen en boerderijen. De bewoners, vrouwen in kleurrijke sari’s, lopen uit, staren, glimlachen of zwaaien naar ons. Wij antwoorden wanneer de teugelvoering dat toelaat met Namasté en vouwen onze handen ineen. Jonge kinderen rennen mee en roepen ByeBye. Vrijwel allemaal hebben de huizen een ommuurde binnenplaats waar veelal buffels aan korte kettingen liggen, wat een enorme tegenstelling vormt met de volledige vrijheid die er voor de koeien en stieren heerst. Deze laatsten worden overigens, zonder dat wij dat in de gaten hebben, wel degelijk al van ons pad afgejaagd nog voordat wij er komen. Dit wordt verzorgd door het back-up team dat ons vooruit rijdt in de jeep. We rijden inmiddels echt door het boerenland. Grote gedeelten ervan zijn droog en dor waardoor hoofdzakelijk herders met geiten of schapen hier zijn neergestreken. Denkend aan de massale vleesindustrie die wij in het Westen kennen, waarbij soms achteloos met leven wordt omgegaan, zie ik dat deze dieren hier een fantastisch vrij en gelukkig maar beschermd leven in hun kuddes leiden. Ik zie de geitjes spelen, springend op takken en achter elkaar aan rennend. Kuddes schapen grazen in gezelschap van hun herder, daar waar er gras is. De kamelen komen er slechter vanaf. Wanneer een kameel voorbijkomt die een wagen trekt en de eigenaar stopt zodat we hem kunnen bekijken, zie ik ijzerdraad door zijn neus verwrongen, al moet ik bekennen dat de kameel er inmiddels geen last meer van lijkt te hebben. Er schijnen hier ook Chinkara’s rond te lopen, een Indiase gazelle, evenals aasgieren, maar ik vermoed dat beide zo vrijelijk leven, dat wij ze mislopen. Wel zien en horen we overal waar we komen nachtegalen. Na enkele uren stoppen we bij een waterput en laten de paarden drinken. Zelf hebben we waterflessen in onze zadeltassen om onze dorst te lessen. Ik kan het niet nalaten, ik maak steeds de vergelijking met Nederland. Ik denk aan Drenthe. Het is Drenthe, maar dan anders. Exotisch Drenthe, dat is het. Exotisch droge Drenthe. Met boeren, maar dan exotische boeren. En boeren die zwaaien. Dat doen ze in Drenthe niet. Daar bidden ze niet eens voor brune bonen. Hier wel. Hier bidden de Hindus minstens twee keer per dag voor water, eten, licht en vuur. Ik vind het wel een goede gewoonte en tel vandaag ook mijn zegeningen.
Om de hoek klinkt zo gek, wanneer je in het uitgestrekte Rajasthan rijdt met je paard, maar toch doemt daar ineens een opgezet kamp op met regisseurstoelen, ligbedden en een buffettafel met heerlijke curries, rijst, groenten en chapati, de Indiase pannenkoeken. De paarden worden van ons overgenomen, afgezadeld en aan de bomen vastgezet, waar ze eveneens te eten krijgen. Wij ontdoen ons van handschoenen, chaps en caps en tasten toe. Twee uur lang maar liefst mogen mens en dier bekomen van de ochtendrit. Tijd heeft hier een andere betekenis en dat is nu precies wat zo heerlijk aan een paardrijdvakantie is, los van het feit dat je met je auto nooit hier op deze plek gekomen was.
Hoewel het land hoofdzakelijk vlak is, beklimmen we een klein uur later toch een redelijk formaat heuvel met uitzicht, die we aan de andere nog steilere kant ervan weer afdalen. Ik moet heel eerlijk bekennen dat ik dit één van de leukste dingen vind aan in het buitenland rijden. Het bewijst iedere keer weer dat je met je paard tot veel meer in staat bent dan je ooit thuis op stal dacht. Ineens ben ik ook Frederico Caprilli en zal het me worst zijn als ik toch per ongeluk vooruit over het hoofd van mijn paard kukel. Maar dat gebeurt niet. Zenuwachtig en dribbelend als Mangal is, zo kalm ben ik en ik leid haar stapvoets naar beneden waar ik haar beloon voor haar heldhaftigheid. We zijn nu al een team.
In de dagen die volgen wordt de groep in tweeën gesplitst, in een groep die langzaam zal rijden en een groep waarbij het tempo wordt opgeschroefd. Hier is mijn Mangal het niet mee eens. Ze blijkt een übermerrie en wil het liefst de hele kudde bij elkaar houden. Ze kijkt van links naar rechts en terug en hinnikt of het een lieve lust is, maar niets helpt. De andere paarden zijn de rust zelve in stap, draven is er nauwelijks bij, maar zodra galop wordt ingezet en ze ‘mogen’ dan gaan ze ook. Goed getraind als ze zijn, luisteren ze uitstekend en stoppen zodra je daarom vraagt. Vandaag rijden we de hele dag en leggen een afstand van in totaal 25 kilometer af van Mandawa naar het plaatsje Nawalgarh. Daar mogen de paarden in de semi-woestijn onder de bomen overnachten. Het back-up team is de hele nacht daarbij aanwezig om ze te bewaken en slaapt bovenop de truck met voorraden. Wij logeren in oude Engelse koloniale gebouwen die zijn omgeturnd tot luxe hotels. In de tuin met kortgeknipt groen gazon wacht ijskoud Indiaas Kingfisher bier. Zelden smaakte bier zo goed.
De volgende dag staan de paarden opgezadeld voor ons klaar. Weer op weg richting Castle Mandawa komen we door het dorpje Dundlod. Al snel lopen er weer allerlei kinderen met ons en de paarden mee. Het plaatsje achter ons latend gaan wij naar een grote zandvlakte en hebben we, denken we, het rijk alleen. De paarden zakken een beetje in het zand weg, zo rul is het er. Dat verhindert echter een drietal kinderen niet om bijna een kilometer lang met ons mee te wandelen. Wanneer de bodem verderop harder wordt, wordt ons een rengalop beloofd, maar zodra we willen inzetten, barst onverwacht en vrij ongewoon een heuse regenbui los. Hoewel we besluiten met de paarden onder de bomen te schuilen, blijkt dat wat overdreven, want nog geen vijf minuten later schijnt de zon alweer. Evenzo snel als dit zich voltrekt, komt ook ineens een einde aan mijn tocht vandaag, wanneer ik ‘mijn’ Mangal mag overdragen aan een van de teamleden. Ik word namelijk met gezwinde spoed in de jeep teruggereden naar het paleis, zodat ik nog op tijd ben voor onze taxi die ons naar Jaipur zal brengen, waar onze reis verder gaat. Het is maar goed dat ik geen lang afscheid heb kunnen nemen, van mijn paard Mangal die ik nu al mis en van Anirudh, die nu mijn sentiment misloopt. Ik verdenk hem er stiekem van dat hij dit zo gepland heeft. Ook Angad Deo die ik gelukkig nog op het terras bij de binnenplaats tref, wil van geen bedankjes weten. Het maakt dat ik in een zeer dankbare maar ook nederige stemming vertrek.
Jaipur
Het is hier een andere wereld. Met een enigszins ontheemd gevoel strijk ik neer in Jaipur, in het Mandawa Haveli Hotel. Ik ben echter alweer snel afgeleid als we in een tuk-tuk richting City Palace koersen, een paleizencomplex van de vele Maharadja’s van Jaipur, gebouwd tussen 1729 en 1732. Anno 2018 is er een museum gevestigd, maar het grootste gedeelte is toch nog een Koninklijke residentie, die nog immer wordt gebruikt. Wij drinken Masala-thee met een ouderwets Engels zandkoekje op een buitenplaats binnen deze privévertrekken en ik voel me net een belangrijke diplomatieke gast. Veel fantasie is daarvoor niet nodig. Onze gids laat ons de rijkelijk gedecoreerde kamer zien waar nu nog hoogwaardigheidsbekleders en royalty wordt ontvangen en waar de gasten dineren. Hij toont ons als Nederlanders zelfs een zilveren lijst met foto van Prinses Beatrix waarop ze een bedankwoord heeft geschreven. Geheel bovenin bij de terrassen met fenomenaal uitzicht over deze rose gekleurde stad en de bergen daaromheen, zijn de slaapkamer- en verpoosvertrekken te vinden. Weldadig gedecoreerd is één kamer helemaal in een soort Delfts blauw, de ander weerspiegelt het heelal met glinsterende sterrenhemel. Enig gevoel voor romantiek kan de Maharadja niet ontzegd worden. Vanaf deze hoogte hebben we de andere kant op tevens uitzicht over dat gedeelte van het paleis waar de vele echtgenoten van de Maharadja’s in ‘purdah’ woonden, d.w.z. geheel buiten het zicht voor het publiek. Heel pragmatisch zijn de kamers nu in gebruik voor de personeelsleden van het paleis. Om een vollediger tijdsbeeld te krijgen nemen we de tuk-tuk naar Fort Amber, het 11 kilometer verderop in de bergen gelegen paleis, waar Maharadja Sawai Jai Singh II die het City Palace liet bouwen aanvankelijk woonde en heerste tot de bevolkingsaanwas te groot werd en een watertekort ontstond. Alles is in het buitenland altijd groter dan in Nederland en ook hier gaat dat op. De paleizen zijn allemaal immens in omvang en maken dat ik me heel klein en nietig voel, een van de betere uitkomsten van reizen. Op de terugweg is aan onze linkerkant een groot meer met daarin eveneens een paleis, het Water Palace. Het lijkt rechtstreeks uit de James Bond film Octopussy te komen, maar ik laat me vertellen dat die in de stad Udaipur te vinden, is, eveneens in Rajasthan. De volgende dag vertrekken we alweer richting Delhi. Inmiddels gewend aan het verkeer kijk ik er niet eens meer van op als aan onze kant van de snelweg een vorkheftruck doodgemoedereerd in tegenovergestelde richting rijdt, mensen tussen de auto’s door met gevaar voor eigen leven nonchalant oversteken of stoppen om op de rijbaan hun autoband te verwisselen. Ik besluit dat als wij het er levend vanaf brengen ik me nooit meer druk maak over het missen van buslijn 357 die elke 15 minuten naar Schiphol rijdt. En ook niet meer waarheen mijn reis gaat. Ik zie wel.

